Staverse jollen

De Staverse jol lijkt het meest op zwaar gebouwde glad- en hoogboordige sloepen, hoewel ze toen nog overnaads werden gebouwd. Het is een breed, gladboordig schip, buikig in de spanten, waardoor de grootste breedte op de waterlijn ligt, met een enigszins kelkvormige, platte achterspiegel. Een bijzonder mans scheepje dat tegen de golven van de lagerwal goed bestendig was. Het type werd omstreeks 1860 in Stavoren gebouwd, maar heette toen nog geen Staverse jol. Het model komt hoogst waarschijnlijk voort uit de kubboot. Bijbootjes die gebruikt werden om bij de staande visserij de netten binnen te halen. Een advertentie uit 1917 van de werf  Roosjen en Strikwerda spreekt slechts over Stavorensche sloepen en visschersjollen.

 

“Een zeer bijzondere soort vormen de jollen van Stavoren. Op het oog zijn deze jollen net groote klompen, aan alle zijden rond, ter lengte van slechts eenige meters en van een inhoud van slechts 4-6 ton. Ongeveer midden in staat een mast en zij voeren slechts twee voorname zeilen, groot zeil en fok, ofschoon de visschers veelal kans zien nog verschillende lapjes daarbij op te zetten. In bouw wijken deze scheepjes evenwel zeer belangrijk af van ronde vaartuigen. Immers, onder dien ronden romp is een groote scherpe kiel aangebracht, die zowel voor als achter aan het vaartuig een eind uitsteekt. Daardoor zeilen deze vaartuigjes ondanks hunne kortheid uitstekend bij den wind, maar zijn zij ten eenenmale ongeschikt om op droogvallende gedeelten gebruikt te worden. Misschien is dit de reden waarom dit model bijna uitsluitend tot Stavoren beperkt blijft. Het is belangwekkend om het oordeel van de visschers over deze vaartguigjes te hooren. De Urkers, levende als het ware onder de rook van Stavoren, leggen eene groote minachting aan den dan voor deze jollen, noemen ze onpraktisch en onhandelbaar en hebben weinig vertrouwen in hare zeewaardigheid, want de Urkers blijven zweren bij hunne botters en blazers. De lieden van Stavoren daarentegen stellen hunne jollen ver boven alle andere schepen; en men moet werkelijk erkennen, dat zij met deze kleine notedopjes wonderen verrichten. Zij weten met deze kleine dingen hard te zeilen, en wanneer het weder zo ruw is en de zee zoo onstuimig is, dat groote stoomboten en flinke tjalken de haven niet durven verlaten, gaat een Stavorensch visscher zonder aarzelen in zijne jol op de bruisende zee. Redding bij noodweer geschiedt meest met deze jollen, en zoo is het o.a. voorgekomen, dat voor eenige jaren een tjalk in het gezicht van de haven van Stavoren bij noodweer was omgeslagen en een flinke stoomboot hare pogingen tot berging van dit vaartuig heeft moeten opgeven; toen gingen een twintigtal jollen als een zwerm vogels de haven uit; zij maakten met haar allen eenige touwen vast aan de tjalk , en met haar twintigen brachten zij het schip behouden in de haven.” (Zuiderzee-Vereeniging, 1905: 38)